Schrijfwedstrijd 1e plaats: 'Middagzon'

Middagzon

I

Na vieren is het met borduren gedaan. Dan valt de zon uiteen in oranje rafels die oplossen in de verste akker. Ik heb bij het raam gestaan tot de bomen in de verte inktzwarte schuimkoppen geworden zijn. De Heuvel is geen zonnige hoeve. Er is altijd een zware schaduw in de voorkamer, van de oude linde aan het einde van het pad. Soms is dat maar goed. Die boom is de plaats waar het gerecht bijeenkomt. Op hete zomerdagen lost de koelte meer ruzies op dan de sussende woorden van de schout.
Ik weet niet wat ik moet met dit uur. De pap staat klaar, maar aan eten is men nog niet toe, de dag is nog niet af. Willem zal pas na vijven binnenstappen. Er zou een kind moeten zijn dat gaat jengelen tegen de avond, dat op schoot genomen wil worden. Zo’n jongen waarvoor je psalmen zingt die hij zijn leven lang niet meer vergeten zal.
Maar in plaats van een luiermand staat er nog altijd mijn borduurmand. Ik haal de borduurlap er nog even uit. Het is een merklap, maar groter dan normaal. Ik geniet van het eindeloos bedenken van nieuwe rijen steken. Van het kiezen van de kleuren: nachtblauw, purper, bloedrood, het splijten van de zijde. Van de voldoening als er weer een volmaakte regel af is.
Nu ontbreken alleen mijn initialen nog: Cornelia Hermensen, C.H. Ik moet denken aan dominee De Roos. Hij is een jonge bewogen man, een ernstige prediker. Kostelijke preken heeft hij soms, waar ik veel aan denk op lege uren als deze. Soms schrijf ik iets op, in het schrift dat onderin de borduurmand ligt. Op de eerste lege bladzijde staat deze regel geschreven: ‘Maria bewaarde al deze woorden in haar hart.’ Bijbelteksten, gedachtespinsels. Zondag in Amerongen moest ik zomaar glimlachen tijdens de dienst. Dominee vergeleek dit weerbarstige leven met een borduurwerk. Wij zien de achterzijde: een slordige wirwar van draden, maar aan de voorzijde weeft God een schoon geheel.
Dat gaat voor deze merklap niet op. Het was een intens genoegen om ook die achterzijde zo mooi mogelijk te maken. De afgehechte draadjes heb ik bijna onzichtbaar weggewerkt. Dominee koos wel eens betere beelden.

II

Een rusteloze middag. Ik denk veel aan Catrijn. Ze ziet er niet goed uit de laatste tijd: stil en bleek en geen weerwoorden meer. Misschien is het heimwee. De heer Van Bergeijk woont weer een seizoen op eigen bodem, in het rechtervoorhuis. Hij bracht haar mee, met haar wijde rokken, rode mond en uitdagende ogen. Van Bergeijk kijkt veel naar haar. Zij is een wulpse meid, die altijd achter hem aanloopt alsof hij een gebrekkige oude man is die steeds hulp nodig heeft.
Het is me zo duidelijk als een ster in een vriesnacht; het ronder worden van het gezicht, de afwezige blik. Catrijn moet een kind krijgen. Een kind van een heer die zich samen met de knechten bezat in de Vuyle Bras en hen bedwelmt met verhalen die niet deugen. Ik kan in mezelf geen medelijden vinden, het is te laag. Alleen dat ongeboren kind, daar denk ik wel aan.
Het doet pijn eraan te denken dat ik zelf al zeven jaar wacht. Als ik de vlekken in mijn onderrok zie, strekt mijn hoop zich uit naar de volgende maand. Willem is die op- en neergang moe, hij heeft er plooien van om zijn mond gekregen. De eerste jaren bad hij zeer in mijn tegenwoordigheid, zoals er van Izak staat: de eerste tekst in mijn schrift. Het was zo moeilijk en tegelijk zo goed: knielen voor twee naast elkaar geschoven stoelen, de gewijde stilte daarna. Ik voel een lichte wrevel omdat hij zo snel heeft opgegeven. Wie niet bidt, zal ook niet ontvangen: mijn tweede tekst.
Ik weet de derde tekst niet goed meer en zoek hem op. Er staat een datum bij: 19 november 1724. Het dringt ineens tot me door dat het precies een jaar geleden is vandaag. Als ik het gelezen heb, zit ik lang stil. Mijn hart trilt. ‘Soude yet voor den HEERE te wonderlick zijn? ter gesetter tijt sal ick tot u weder komen, omtrent desen tijt des levens, ende Sara sal eenen sone hebben.’ Het kind van Catrijn? Ik heb het wel gezien. Wijde rokken verbergen niet alles; het zal niet lang meer duren. Zal het kind van de schande tussen een heer en een meid de vervulling van een belofte worden? Nu de lasteringen van de boze weerstaan, de golven van ongeloof bedwingen, bidden, wachten op een teken.

III

Ik heb Willem niets gezegd. Mijn vreugde is verholen, net als het kind van Catrijn. Er dreigt storm, het is vroeg donker en ik heb niet geborduurd. De kamer lijkt anders, maar misschien komt dat door mijn eigen gedachten. Ik denk aan een tenen wieg naast het vuur, aan Catrijn op haar kraambed, aan een doopkleed. Ik vraag me af wie de man moet zijn die de vragen in de kerk zal beantwoorden. Ik denk dat ik wel een idee heb. Ik zoek vast een streng borduurzijde uit; nachtblauw, dat is mooi. Nachtblauwe letters op wit lakentjeskatoen.
Gestommel bij het raam. Dat lijkt Wouter wel, de knecht. Een grote kerel met een sproetige huid die altijd geschroeid lijkt alsof hij te dicht bij het vuur in slaap is gevallen. Zijn ogen tasten de kamer af. Ik weet het al, ik voel het. Catrijntje. Wouter is de enige die goed met haar kan.
Hij wacht, met zijn rug naar het raam. ‘Catrijn laat u zeggen dat ze u nodig heeft.’ Hij weet waarvoor, dat zie ik aan de spanning die zijn lijf uitstraalt. Het haar in zijn nek is vochtig en staat uit. ‘Dat is goed. Dank je, Wouter.’ Ik heb te lang niet gepraat, mijn stem klinkt schor. Hij draalt, ik zie dat hij zijn vraag niet durft te stellen dus ik knik. ‘Haal de vroedvrouw, Beatrix.’ Het kind moet de beste hulp hebben. Wouter gaat en ik loop langs het voorhuis en de zijmuur tot ik voor de kleine zijingang sta. Ik voel het zweet in mijn jak trekken. Gods vinger wijst naar de deur.

IV

De zolder is laag en de lucht bedompt. Catrijn ligt in de bedstee. Haar rechterhand omklemt de rand. Ik kijk de kamer rond. Het is er allemaal. Het verbaast en ergert me tegelijk dat er een wiegje klaarstaat en een luiermand. Schone witte lappen. Alsof dit een gewone bevalling is, waar een mens zich zonder schaamte op mag voorbereiden.
Beatrix komt en deelt bevelen uit, ook aan mij. Ik vind het niet eens erg. De andere twee meiden moeten geroepen worden. Ze staan allebei niets te doen in het zijvertrek, alsof ze op een sein wachten. We maken een kortbed in de kamer van een paar stoelen en een dun matras. ‘Een schootster,’ zegt Beatrix kortaf. Niemand doet iets. Dan moet het zo zijn. Ik strek me uit op het bed en Catrijn wordt op mijn schoot geholpen. Ze wasemt warmte uit, angstzweet misschien. De geur van vochtig roest dringt zich op. Ik klem mijn handen om Catrijns bovenarmen. Als de meiden haar rokken omhoog schuiven en de benen spreiden, sluit ik mijn ogen. Er schieten scheuten door mijn lijf. Catrijn leunt zwaar op mijn borst.
Als de vroedvrouw omhoog komt met in haar armen een kind schreeuwt het zo dat het wel een jongen moet zijn. Hij wordt bij de vuurmand gewassen met water en wijn en daarna nog een keer met brandewijn. Dan wordt de lange zwachtel net zo lang om zijn lijfje geslagen tot de maaiende armpjes en beentjes volledig het zwijgen is opgelegd. Alleen het mondje leeft nog: een kleine rode afgrond waaruit onafgebroken gejammer opstijgt. Met een zucht noemt Catrijn zijn naam: Adrianus.
Helemaal tegen het huis aan staat Wouter. De rieten dakrand prikt als een doornenkroon in zijn schedel. Waar wacht ik nog op? Ik kruis mijn armen en zie hem scherp aan. ‘Wouter, wij moeten elkaar nu verstaan. Het kind heeft geen deel aan de schande. Ik heb er met Beatrix over gesproken; ik zal het gaan aangeven bij de dominee. Adriaan zal gedoopt moeten worden.’ Hij zet even grote ogen op alsof de naam van het kind hem verrast. ‘Ik zelf zal ervoor instaan dat hij christelijk wordt opgevoed. Ik voel dat ik niet anders kan. Er moet ook een vader zijn om de vragen te beantwoorden. Dat moet jij doen.’
Het zweet breekt hem aan alle zijden uit en hij tilt dan de ene, dan de andere klomp op. De grove handen raspen langs het brede voorhoofd. ‘Goed, vrouw.’ Hij kijkt over de akker alsof de aanblik ervan hem erge pijn doet. Ik ben tevreden. Hij zegt nooit een woord, maar hij is betrouwbaar. Beatrix is van dezelfde lap gescheurd, en bovendien vroom. Er sprak ontzag uit haar blik toen ik haar kort vertelde wat ik mijn roeping acht ten aanzien van de jonge Adriaan. Ook heb ik met Catrijn gesproken en haar gezegd dat ze hier kan herstellen, maar daarna zo snel mogelijk moet vertrekken. Ik zal mij over Adriaan ontfermen. Ze knikte moe. Ik ben dankbaar dat alles zo loopt. De Heere is goed.

V

Wouter rijdt me naar dominee Goedenhagen in Leersum. Hij is geen trouwe kerkganger, maar hij hoort onder Leersum, en het lijkt me beter dat de doop niet in Amerongen plaatsvindt, onder mijn eigen volk.
Ik gebruik zo weinig mogelijk woorden. ‘Er is onlangs een jong echtpaar in de kamers op De Heuvel komen wonen. Ze horen onder Leersum. Hun kind werd gisteren in de namiddag geboren. Ik wil het ten doop houden, met de vader.’ Dominee kijkt even op als hij vraagt waar de vader is. ‘Wouter Franken wacht met de paarden bij de herberg.’ Weer is mijn stem niet vast. Hij schrijft die naam op en knikt me dan toe. Zijn ogen staan mild.
Dominee Goedenhagen stelt de doopvragen ’s middags aan een zwetende en onrustige Wouter in Willems pak. Hij houdt Adriaan als een zak meel op twee handen. Willem zweeg toen ik hem vroeg om mee naar het dopen te gaan, zoals hij ook gezwegen heeft op mijn verzoek om vast een kribje te timmeren in onze bedstee. Ik heb het koud in de kerk en wil naar huis. Van de preek heb ik weinig onthouden, maar het schijnt me toe dat Goedenhagen een harder mens is dan mijn eigen dominee.

VI

Misschien is het dat zwijgen, van Willem, maar ook van mijzelf nu, het niet meer kunnen spreken met elkaar, dat me zo uitput. Het is nog lang geen vier uur, maar tot borduren kom ik niet. Ik wil met hem praten, misschien nog wel meer, bij hem biechten. Vooral nu er komende zondag Heilig Avondmaal zal zijn en ik niet kan aangaan zolang er die droogte in mij heerst. Dat ik moe en vreugdeloos ben verwart me.
Plotseling zie ik een zwarte gestalte langs het raam lopen. Ik laat dominee Goedenhagen zelf in. Hij zit tegenover me en kijkt naar me vanonder die afhangende wenkbrauwen, een vriendelijke blik, die me van hem verrast en me moed geeft. Maar voor ik iets kan zeggen neemt hij zelf het woord. ‘Wouter Franken is enkele uren geleden bij me geweest. Hij was van plan om te vertrekken en niet weerom te komen, maar hij zal dat niet doen. Hij wil met Catrijn trouwen, een vader voor zijn kind zijn zoals hij dat zondag heeft beloofd.’ Dominee wacht even. ‘Dat hij tot inkeer kwam is aan u te danken. U wees hem aan als de vader, u heeft hem, als was u Gods hand, naar dat doopvont gesleept om zijn beloften te doen voor Gods aangezicht. Dat heeft hem verbroken. Geloof me, ik heb heel wat mensen hier berouw zien tonen, echt of onecht, maar deze Wouter Franken zat hier als Saulus van Tarsen. Hij heeft beloofd met Catrijn te zullen trouwen zodra zij weer hersteld is. Ik durf u daarom te zeggen dat u de zorg voor het kind weer terug mag geven.’ Hij kijkt naar me. ‘Vindt u het ook geen wonder?’ Ik ben stom, ik kan niets terugzeggen. Een wonder? De heer Van Bergeijk schuldloos, Wouter de vader: twee wurgende leugens die samen een schroef om mijn keel vormen. Ik hoest en ik wrijf mijn slapen met mijn handen. Het klopt niet, hij kent de waarheid niet. Maar ik ben niet in staat hem die te zeggen. Ik weet het zelf niet meer. De tekst van de preek van zondagmiddag is ineens terug.: ‘By den reynen houdt ghy u reyn, maer by den verkeerden bewijst ghy u eenen worstelaer.’ Willem wacht tot ik ben uitgepraat en als een geknakte bloem in mijn stoel zit. Dan nemen zijn grove handen de borduurlap uit mijn mand en vouwen hem open. ‘Maak dit eens af,’ zegt hij zacht, ‘dat zal je goed doen.’ In de borduurmand ligt het schrift bloot als een lang geheim gebleven aanklacht. Ik onderdruk de neiging om het ding in het vuur te gooien. Ik heb een afkeer van zulke dramatische gebaren. Dan neemt Willem ook het schrift met een even vertrouwd gebaar als hij de huwelijksbijbel pakt na het eten. ‘En hier moet je ook mee verdergaan.’

VII

Ik slaap niet. Het waait nog steeds, met hevige vlagen. Op de plek van mijn hart lijkt een spons te zitten die alle tranen opzuigt tot het een log bonzend ding is. Adriaan gaat weg. Adriaan is niet voor mij, en dat is nog te begrijpen ook. Ik heb dorst, mijn keel is een leren lap, maar opstaan is zelfs teveel gevraagd.
Dan pakt Willem in het donker ineens mijn arm en drukt die tegen zijn warme nachthemd. Er loeit een windvlaag over het land die eindigt in een krakende slag. De bedstee trilt en de potten bij het vuur raken elkaar. Willem schiet de bedstee uit, duizelt even, werpt een verwilderde blik door het raam. Dan haast hij zich naar de deur. Hij roept mij en als ik op de drempel sta zie ik het al. De kruin van de linde ligt aan mijn voeten, als de haardos van een geknield liggend mens. Het kan niet waar zijn. Zo slecht was de boom niet, dat had Willem moeten zien. Ik sta daar in een dun, klapperend nachthemd en druk me tegen hem aan. Zijn hemd moet doorweekt raken van zoveel tranen.

Christine Stam-van Gent, Kampen