Schrijfwedstrijd 2e plaats: 'Tempus Fugit'

Tempus Fugit

Mijn naam is Hermanus Kamphuizen. Ik ben sinds een week honderd. Dankzij de menslievendheid van Ferdinand van Marckensteijn wiens wapen ‘in vier paertiën’ de hoofdingang voor de regenten siert, zit ik met m’n pokhouten poot en een inmiddels verdorde rechterarm in het Oude Mannenhuis aan de Schoolstraat te Delft. Met nog 113 man. Kwijlen, kreten slaken, boeren, scheten laten, rochelen bij koolsoep en vloeken bij droog brood. Verzuurde pislucht en beerputwalm die in de diepste vezels van hemd en goed is doorgedrongen. En elke week wel weer een doodssnik, waarna de machtige Bourdonklok van de Oude Kerk niet wordt geluid en de armenpit achter het Rietveld je met gretige muil ontvangt. Wachten op je brits, vechten tegen zuigende luizen onder de paardendeken, strompelen over de blinkende zwart-witte marmeren vloer die meer groene zeep heeft gezien dan alle oudjes bij elkaar. Wachten. Nee, niet op Aagje. Die is al jaren dood. Tering. En niet op Arentje of Willempje of Arentje of Nysje of Willempje of Nysje. Arme kinderen. Stuipen, pokken, buikloop. Soms in mijn droom komt er een voorbij. Met hoepel of bikkels. ’s Ochtends vernevelt hun beeld en pijnig ik mijn hersens om hun gezicht of de echo van hun kinderstem weer voor me te halen. Pijn doet dat. Dat wat je dierbaar was, kan vervagen tot alleen versteend verdriet overblijft. Aagje kost minder moeite. Vierenvijftig jaar samen. En alweer zesentwintig jaar alleen. Haar hand die me streelt, een blond lokje van onder haar kap, het kraken van haar gesteven kraag, de geur en smaak van haar lijf, haar zachte stem die me nu soms nog wekt: ‘Hermanus, ’t is tyd…’. God erbarm u over mij. ’t Is nog geen tyd… Wat doet dat pijn. Wachten. Tot de ruwhouten kist alvast wordt binnen gebracht. Ze zijn praktisch hier en hebben een vooruitziende blik. Maar, God, wat ben ik taai. Honderd jaar.

‘Wat ben jij een taaie’, dat zeiden ze al bij de dagmarsen op weg naar Keulen, naar Henegouwen, naar Maastricht, Ramilles, Oudenaarde, Doornik en uiteindelijk naar Malplaquet. Lopen. Ik heb tot 1709 niets anders gedaan dan lopen. Een mijl is een uur gaans. Dagen van 14 mijlen, ondanks het geroffel van de tamboer, duren lang. En dat met een vaandel. Vaandrig ben ik. De zware stok is vijf Delftsche ellen en het vaandel, door fijne hand geborduurd en hier en daar secuur en met liefde door Aagje hersteld, met in het midden ‘een leeuw van keel, getongd en genageld van azuur’, wappert boven mijn hoofd en wordt daardoor extra zwaar. Nooit laten zakken! De leeuw moet fier blijven staan. Je mag met het vaandel zwaaien en draaien, maar de kop moet naar boven blijven, of het nu stortregent in zompige veengebieden, stuift op zandwegen, vriest dat je handen om de stok verstijven of dat de musketkogels je om de oren vliegen. Het leger, een samenraapsel van gehuurde Schotten, Zwitsers, Walen en Hollandse avonturiers, na veel exercitie, eindeloze schijnaanvallen en vervloekingen samengesmeed tot een hechter geheel, volgt. De cadans van hun voetstappen, het ritme van de trom, de schrapende ijzers van de paarden en de schunnige verzen van de piekeniers klinken achter mij. Vóór mij Claude ’t Serclaes graaf van Tilly of François Nicolaas baron Fagel of Johan Willem Friso, Prins van Oranje, aanvoerder van het Staatse contingent. Altijd hoog te paard gezeten en zelden achterom kijkend naar de tros die door vloekende officieren in het gareel wordt gehouden, leiden zij ons naar de poorten van de hel: slagvelden waar kruitdamp je verstikt, trommelvliezen barsten, het doodsgekrijs zelfs nu in het oude mannenhuis je nog in de oren echoot en stuiptrekkende strijdrossen met uitpuilende darmen je bijna vertrappen. En te midden van dat inferno, waarin soms kameraden in doodsnood om een genadehouw smeken, loop ik en ik prevel: ‘Al gingh ick oock in een dal der schaduwe des doots ick en soude geen quaet vreesen want Ghy zyt met my’. Ik moet tenslotte het vaandel omhoog houden. ’t Is nog geen tyd. Ik moet terug naar Aagje.

‘Een glorieuse doch seer sanglante bataille’¹ dat zeiden de Staatse gedeputeerden te velde over de slag bij Malplaquet. Malplaquet, ik had er nog nooit van gehoord. Wij hoorden trouwens nergens iets van. Wij volgden. Voetvolk. Onwetend van wat er boven mijn hoofd hing maakte ik me zorgen over de proviandering, keek ik gespannen naar de lucht, bang voor een hoosbui die de musketten onklaar maakte en vroeg ik me af of we een droge slaapplaats zouden vinden en of er genoeg hooi zou zijn voor de paarden en verband voor mijn kapot gelopen voeten. Met 15.000 Staatse soldaten waren we in september 1709 onderweg naar Malplaquet, een boerengat in Frankrijk. En nu, er wordt nog met afschuw over gesproken, weet ik wat daar gebeurd is. Toen niet. Ik was er wel bij, ik zat er zelfs middenin, maar ik volgde alleen maar, met het vaandel omhoog en de blik strak vooruit, tot mijn tong en tenen zo blauw waren als die van de boven mijn hoofd wapperende leeuw.

Frankrijk onder Lodewijk XIV claimde na de dood van de Spaanse koning de Spaanse troon. De geallieerden – Engeland, het Habsburgse rijk en de Republiek- vonden dat onverkwikkelijk. Het machtsevenwicht dreigde verstoord te worden. In september 1709 kwam bij Malplaquet de grote botsing. De Franse hertog van Villars legerde zijn troepen achter een linie van 7 kilometer veldversterkingen in het bos van Sart. De eerste hertog van Marlborough, de opperbevelhebber, besloot op 11 september aan te vallen. ‘s Nachts werden er in de openlucht diensten gehouden en werd brandewijn uitgedeeld om de vechtlust aan te wakkeren. 11 september, wat een dag… Beide Franse vleugels zouden ’s morgens gelijktijdig aangevallen worden, maar omdat Marlborough verzuimde de Prins van Oranje over een gewijzigde aanvalstijd in te lichten, vertrok deze te vroeg, zonder toegezegde versterking…

Daar ging ik met het vaandel! M’n kop verhit van de ’s nachts overvloedig verstrekte brandewijn. We trokken op in voorbeeldige discipline, maar werden neergemaaid. Toch veroverden we uiteindelijk de Franse veldwerken, maar hadden te veel mannen verloren om weerstand te bieden aan de Franse tegenaanval. Plots gebeurde het: ik liep naast de Prins van Oranje, toen een kanonskogel zijn paard, net bij het linkeroog, de schedel liet versplinteren. Het dier wankelde, bloed spoot, alsof iemand een inwendige pomp bediende, uit de holle oogkas ter grootte van een mans vuist, en het beest stortte schril hinnikend ter aarde, Johan Willem Friso in zijn val meeslepend. Het reusachtige ros bedolf de prins, van wie alleen het hoofd en de schouders onder het kadaver uitstaken. Zijn hoofd werd blauw en zijn ogen puilden uit de oogkassen. Ik bedacht me geen moment, stak de zware eiken stok van het inmiddels gehavende vaandel onder het nog stuiptrekkende paard en wist met uiterste krachtsinspanning het kreng net iets op te tillen, waardoor de prins zijn armen en romp enigszins vrijkwamen. Daarna hielpen enkele Zwitsers hem volledig te bevrijden. Terwijl ik me bukte om zijn sabel op te rapen, voelde ik een verscheurend vuur in mijn knie. Twee door een ketting verbonden kogels hadden mijn linker onderbeen afgemaaid. Of het met vurige tangen afgeknepen was, zo voelde het. Het bloed van het paard, schroeilucht, angstkreten van stervenden, mijn bloed, kanongebulder, het beeld van bleek uitstekend gerafeld bot, alles vermengde zich, ik klampte mij verdoofd vast aan het vaandel en stortte neer. Later, de hele slag was voor de geallieerden een pyrrusoverwinning geworden, werd ik door de prins in het lazaret bezocht. Het treffen was kort: hij salueerde, tastte in zijn buidel en, zonder een woord te zeggen, overhandigde hij mij een gouden rijder. Die heb ik nu nog. Van de Oudemanshuijsvaderen mag ik hem houden, mits ik zelf mijn begrafenis betaal. En dat moet van een gouden rijder heel goed kunnen. Ik wil niet naamloos in de kalkput of bij de knekels. Ik wil bij Aagje, in de Oude Kerk.

Er vielen die dag 18.100 infanteristen en 2.500 cavaleristen. 2.380 doden onder de Staatse infanterie en 6.080 Staatse gewonden. 11.000 Franse doden. De bloem der Nederlandse natie is daar gesneuveld. De slag was om 15.00 uur ten einde. Villars schreef, niet zonder ironie, aan Lodewijk: “Si Dieu nous fait la grâce de perdre encore une pareille bataille, Votre Majesté peut compter que tous ses ennemis seront détruits”.²

De Bourdon heeft net zijn zware bronzen slag geslagen. Het is zes uur. Aarzelend zonlicht valt door het onbeschoten pannendak op de slaapzolder. Gerochel uit tientallen kelen vanuit de britsen, gesteun, gekrab, verstijfde ledematen trekken traag wollen kousen op. Een nieuwe dag. Hermanus Kamphuizen komt niet overeind. Verstijfd, de handen verkrampt boven de paardendeken, alsof ze een vaandel vasthouden. Aagje, ’t is tyd…

André Kastelein, Goedereede

¹ sanglante bataille = bloedige strijd
² ‘Als God nogmaals zo welwillend is ons zo’n strijd te laten verliezen, kan uwe majesteit erop rekenen dat al z’n vijanden verslagen zijn’.