Het verhaal van zijn vader Gent, 1329 ‘Reis je alleen, speelman?’ Het getinkel van belletjes begeleidde de onverwachte vraag. De man die op de steen zat wendde zijn blik af van de stad die voor hem lag en keek de vragensteller aan. Een kleine, gebogen gestalte stond voor hem, gekleed in een blauw narrenpak. Belletjes bewogen aan de punten van zijn muts. Hij had een eigenaardig hoge stem. De man die op de steen zat knikte kort en keerde zich weer naar de stad. Dit zou een beslissende dag worden, wist hij. Vandaag zou hij het plezier terugvinden dat hij ooit in zijn kunst gehad moest hebben. Of het voor altijd opgeven. Ongehinderd door de drukte op de weg keek hij naar de vormen van de stad die hij zoveel jaren geleden voor het laatst gezien had. Gent, het doel van zijn reis. Terwijl hij naar de muren keek, wachtte hij op de onvermijdelijke vraag. ‘Je hebt iemand nodig die je aankondigt.’ Het was niet eens een vraag. De man draaide zich nogmaals om en zuchtte diep. ‘Zie ik eruit alsof ik op gezelschap zit te wachten? Ga jezelf vermaken!’ De nar sprong opgewekt van zijn ene voet op zijn andere en zei: ‘Iemand moet het publiek toch op je vertelkunsten attent maken!’ De man die op de steen zat stond nu op. Hij stak ver boven de in het blauw geklede nar uit. ‘Florian van Mechelen heeft niemand nodig om zijn vertelkunsten aan te prijzen.’ Meteen stond hij op en liep met grote passen de weg op in de richting van de stad. Achter zich hoorde hij nog het geklingel van belletjes, maar het geluid stierf al gauw weg. Een korte blik over zijn schouder leerde hem dat de nar een eind achter hem liep, blijkbaar niet in staat zijn tempo bij te houden. In de stad heerste de gebruikelijke jaarmarktdrukte. Niemand liet zich door de dreigende regen zijn goede humeur ontnemen. Alleen een monnik leek nog feller te prediken dan gebruikelijk was. Straatkinderen schoten tussen de mensen door, het geroep van marktkooplui vulde de lucht. Florian liet een passende lach op zijn gezicht verschijnen. Vandaag zou hij de vrolijke minstreel zijn die de mensen kwam vermaken met een prachtig verhaal. Het verhaal dat met de stad verbonden was. En met zijn leven. Misschien zou het verhaal hem de verlichting brengen waar hij op hoopte. Als hij het nog eens vertelde… Hij liep tussen de mensen door in de richting van het marktplein. Gent leek de afgelopen jaren nog groter en drukker geworden te zijn. Stenen huizen omlijstten de drukke straten. Het begon zachtjes te regenen. Even keek hij achter zich. Hoorde hij nu de bellen van een narrenkap? Welnee. Het enige blauw dat hij zag was de jurk van een vrolijk meisje. Hij moest die nar uit zijn hoofd zetten. Vlak bij het marktplein werd nog altijd aan een hoge toren gebouwd. Hij bleef even staan en keek naar boven. Er was niet veel inbeeldingkracht voor nodig om voor te stellen hoe de klokken van de toren op een dag over heel Gent te horen zouden zijn om de bevolking te waarschuwen tegen gevaar en brand. Bellengerinkel bereikte zijn oren. Dus toch. ‘Hoger en hoger groeit hij, totdat hij over alle mensen heen kijkt. Maar is hij meer dan steen en cement?’ De stem klonk peinzend en de nar keek hem scherp aan. Wat wilde hij zeggen? Zonder iets te zeggen keerde Florian zich van de nar af en liep haastig verder naar het marktplein. Hij vroeg zich af waarom hij zich zo ergerde aan de nar. De nar was het probleem ook niet, gaf hij zichzelf toe. Hij was zelf het probleem, omdat hij al zo lang niet meer tevreden was met een zwervend bestaan, met het voortzetten van zijn moeders droom, met het vertellen van het verhaal dat zijn vader opgeschreven had. Op een dag zou hij net zo bekend worden als zijn vader Willem, had zijn moeder hem beloofd. Ze had hem vanuit het noorden meegenomen naar Vlaanderen om hem de plaatsen te wijzen waar zijn vaders verhaal zich afspeelde. Als jongen had hij al haar dromen overgenomen, was hij gehoorzaam de weg gegaan die zij voor hem uitstippelde. De weg die hij nog steeds ging. Zij was het ook die op een dag besloten had dat hij zich Florian van Mechelen moest noemen. Dat klonk beter. De drukte in de straten was niets vergeleken bij die op het marktplein. Vrouwen verdrongen zich bij de kraampjes, jongens en meisjes wisselden verliefde blikken uit, venters prezen hun waar aan en bedelaars bedrogen vrijgevige Gentenaren. Boeren uit de omgeving vergaapten zich aan de machtige gebouwen die hen het zicht op de horizon ontnamen. Florian zag een rustiger plekje aan de rand van het marktplein en wandelde er naar toe. Hoewel de regen inmiddels was opgehouden, kwam de zon nog niet tevoorschijn. Maar Florian had de zon niet nodig om te weten dat het nog maar half op de morgen was. Voor de dag veel verder was gevorderd zou de drukte nog merkbaar toenemen. De mensen zouden toestromen om naar hem te luisteren. Hij zou voor hen zingen over hun geliefde land, over de onderdrukking van hebberige heersers en de uitvluchten van een sluwe vos. Terwijl hij over de markt liep, begroette hij enkele kooplieden die net als hij alle jaarmarkten langs reisden. Het zou niet lang duren of half Gent zou weten dat Florian van Mechelen, de luitspeler en sprookspreker, was aangekomen. En niemand zou eraan twijfelen dat hij hun verhaal ten gehore zou brengen. Maar nu nog niet. Hij bereikte zijn doel en beklom een kleine verhoging. Vanaf daar kon hij over de hoofden van de levendige, vrolijke menigte heen kijken. Zo was het leven. Hij keek erover heen, hij stond erbuiten, hij zong erover, maar nam er niet aan deel. Als een toren die zijn klanken over de stad uitstrooit. Wilde hij die toren zijn? Het geroep van twee kinderen onderbrak zijn gedachten. ‘Florian!’ riepen ze, ‘mogen we helpen? Geld ophalen?’ Ze kwamen tussen de mensen door rennen. De speelman glimlachte, wat bij deze kinderen niet zo moeilijk was, en knikte. Hij kende de kinderen wel, de zoon en dochter van een rondreizende ketellapper. Vaak haalden ze bij zijn optredens geld voor hem op. Hij zorgde altijd dat hij ze ruim beloonde. ‘Wat zou ik zonder jullie hulp moeten,’ zei hij en knikte hen toe. De twee kinderen juichten en begonnen de mensen op de markt te vertellen dat ze naar Florian van Mechelen moesten komen luisteren. De luitspeler begon zachtjes op de snaren van zijn luit te tokkelen, maar al snel klonken de klanken luider over de markt. Gezichten keerden zich naar hem toe. De blauwe verschijning van de nar dook op aan de rand van de menigte. Florian glimlachte, niet naar de nar, maar naar de menigte. Een glimlach maakt het hart vrolijk, zei zijn moeder altijd. Misschien dat van het publiek. En een lied maakte de mensen nog vrolijker, hoopte hij. Vrolijker en vrijgeviger. Daar ging het toch om? Het verhaal moest verteld worden, hij moest de beste worden en het meeste geld verdienen. Of hij daar gelukkig mee was, deed er niet toe. ‘Het waren twee koningskinderen,’ zong hij. ‘Ze hadden elkander zo lief.’ Meer mensen kwamen dichterbij om zijn stem en zijn lied te horen. Een paar kinderen deden een dansje op de wijs van dit bekende lied. Nadat de prinses in het lied naar het hemelrijk gegaan was om bij haar geliefde te zijn, zette Florian een nieuw lied in. Om het publiek nog meer in de stemming te brengen zong hij over de nederlaag van de moordlustige heer Halewijn. ‘Zo kiest uw dood! Het is nog tijd,’ sprak heer Halewijn tegen de koningsdochter. Maar zijn lot was bezegeld en het lied besloot met Halewijns hoofd dat op tafel werd gezet. Florian werd beloond met gejuich. Uit zijn ooghoeken zag hij het gezicht van de nar. Hij had het idee dat de nar meer van hem wist dan goed was, dat hij dwars door zijn ingestudeerde vrolijkheid heen keek, maar waarom? Het deed er niet toe. Hij had nu genoeg toehoorders. Dit was het moment. Hij haalde diep adem, keek naar de wolken en begon met zijn aankondiging. Zodra hij de naam Willem noemde, begonnen er wat mensen met elkaar te fluisteren, maar al snel werd het stil. Florian van Mechelen, de sprookspreker, bezong het avontuur van Reynaert de vos. Het was al in de pinksterdagen, dat de bossen en de hagen vol hingen met bladergroen. Koning Nobel wilde toen in zijn rijk een hofdag houden, want, zoals hij vast vertrouwde, zoiets strekt een vorst tot lof. De toehoorders werden gegrepen door het verhaal over de sluwe vos Reynaert die voor zijn misdaden terecht moest staan, maar alle bodes die op die hofdag werden uitgezonden wist te pakken op hun zwakheden. Nog voor het lied uit was, wist Florian dat zijn naam de komende dagen op ieders lippen zou zijn. Het was hem gelukt. Hij had alles bereikt wat hij in dit leven moest bereiken. Hij stond buiten de stad aan de waterkant. Boven hem joegen dreigende wolken elkaar na, zich weerspiegelend in het stromende water aan zijn voeten. Het water was slechts een stap van hem verwijderd. Hij kon niet zwemmen. Wat deed hij hier? Hoe was hij hier gekomen? Hij hoorde in de stad te zijn, pratend met de belangrijke heer die hem had uitgenodigd. Hij zou zich moeten laten omringen door bewonderaars. Maar hij wilde niet. Het was tevergeefs geweest. Het verhaal had hem niet de verlossing gebracht waar hij op gehoopt had. Hij deed een stapje naar voren. ‘De vraag is of het water een oplossing biedt.’ Hij hoefde zich niet om te draaien om te weten wie er achter hem stond. Waarom kon die blauwe, rinkelende nar hem niet met rust laten? Waarom kon hij niet zwijgen? ‘Daarboven ben je geen luitspeler, minstreel en Florian van Mechelen meer.’ Verbeeldde hij het zich of was er sarcasme te horen in het uitspreken van die naam? Het begon weer te regenen. De druppels maakten grote kringen op het water. Hij vroeg zich af of het wel echt de nar was die achter hem stond. Misschien was het de monnik die hij die ochtend gezien had. Maar de hoge stem was onmiskenbaar. Florian huiverde even. Het water bewoog snel. De wind blies in zijn gezicht en moedigde hem aan om een stap achteruit te zetten. Hij deed het niet. ‘Dit is geen moment om te doen alsof,’ ging de meedogenloze stem voort. Het water leek duisterder te worden. ‘Daarboven zijn geen maskers. Durf je hier je masker af te zetten of ben je bang om te zien wat er onder zit, Florian van Mechelen?’ Was het dan waar wat ze over narren zeiden, dat ze soms de diepste gedachten van een mens konden zien? Hoe wist de nar dat het leek alsof hij elke dag opnieuw een rol speelde? Dat hij geen minstreel wilde zijn en tegelijk niets anders kon zijn? Hij keek weer naar het water. ‘Eigenlijk heet ik gewoon Floor,’ biechtte hij op. De stem achter hem zweeg even, grinnikte toen zacht. ‘Dat lijkt me een prima naam. Waarom zou je daar niet mee beginnen?’ Hij staarde nog steeds naar het water. Nog altijd was hij niet bereid zich om te draaien, het leven in de ogen te kijken, zijn eigen falen te zien in de ogen van de nar. De ander leek dit aan te voelen, want hij sprak opnieuw, scherp nu. ‘Je bent niet de enige die een masker draagt.’ Misschien was het toch niet de nar. Misschien was het een engel. Een boodschapper die hem van de laatste, fatale stap wilde weerhouden. Floor haalde diep adem en draaide zich om. De wind blies nu in zijn rug. Voor hem stond de nar. Het was een vrouw. Femke Voorhorst, Genemuiden
|