| Christelijke Literatuur |
|
Homerus, Vergilius, Dante, Milton of Vondel dichters noemen is nietszeggend. Het gaat in al deze gevallen om kennisoverdracht. Het gebruik van een versvorm is hier volstrekt secundair, of slechts een vehikel. Lucebert, Willem Jan Otten, Jean Pierre Rawie of Jacques Perk zijn inderdaad dichters in de zin dat ze geen kennis overdragen. Als ze dat zouden willen, gebruiken ze een ander vehikel. We voelen allemaal dat de eerste vier van een verheven plan zijn, gezien het grote belang van hun onderwerpen. Enkel dichten, ofwel verzen vlechten, rijmen of juist niet, spelen met gevoelens en allerlei associaties uitproberen is bijna iedereen gegeven.
“Literatuur” beperken tot fictie is kenmerkend voor een klein en weinig betekenend taalgebied als het Nederlandse. In Duitsland, Frankrijk en Engeland rekent men Schopenhauer, Joseph de Maistre en Gibbon onder de grootste schrijvers. In het Nederlandse taalgebied wordt een Huizinga of een Henri Bruning niet meegerekend, want hun werk – zeggen ze hier – behoort niet tot de “Literatuur”. Lees fictie! Dat neerlandici deze bekrompen houding demonstreren, is jammer voor ze. Wil met Jezus Christus, het Geloof, het Christendom in de schrijfkunst centraal stellen, dan doet men er in elk geval verstandig aan de bekrompen opvattingen van de neerlandici te negeren. Roman en poëzie zijn leuk, maar te veel beoefend en te laagdrempelig. Velen kunnen een verhaal verzinnen opgesierd met karakters, een vleugje psychologie, bijvoeglijke naamwoorden en verrassende zinsbouw. Dat is allemaal aardig, maar tamelijk onbelangrijk. We verzuipen letterlijk in de romans en de poëzie in dit land. Als men met alle geweld een roman wil schrijven, dan alleen qua vorm! Men neme een voorbeeld aan G.K. Chesterton, wiens The Man Who Was Thursday pure christelijke apologie is in het uiterlijk van een detective, zoals C.S. Lewis’ Narnia ogenschijnlijk kinderverhalen, de christelijke waarheden helderder uitleggen en propageren dan de meeste professionele theologen. Maar waarom ons als christenen beperken tot fictie? Alle genres, dus ook de non-fictie, is voor ons van belang. Een typisch Nederlands probleem is dat men pas zeer laat begonnen is over serieuze onderwerpen in de volkstaal te schrijven. Erasmus, Lipsius, Grotius, Spinoza schreven in het Latijn. Hemsterhuis, in de achttiende eeuw, in het Frans. In Italië, Frankrijk, Spanje, Engeland en zelfs Duitsland gebruikte men de een na de ander de volkstaal voor verheven thema’s. Nederland, Bilderdijk bijvoorbeeld, ging te laat mee om de achterstand nog in te halen. Vandaar dat medio negentiende eeuw Busken Huet en, in de twingste eeuw, W.F. Hermans pleitten om bij ons het Frans of Duits in te voeren, en het Nederlands alleen als spreektaal en voor het gebruik van versjes en liedjes te handhaven. Die raad is helaas in de wind geslagen. Een beroep op Ruusbroec en Hadewych helpt niet. Die behoren tot een Middeleeuws dialect dat alleen in vertaling te genieten is. Alle echt grote literatuur is trouwens vertaalbaar, want het idee staat centraal. Hoe taliger een werk is, hoe lastiger, en vooral hoe zinlozer een vertaling. James Joyce’s Ulysses is in het Engels nauwelijks verteerbaar. In het Nederlands, is het volstrekt overbodig. Kafka daarentegen, laat zich probleemloos verchinezen of verijslandsen. Tot en met de zeventiende eeuw waren alle grote geschreven werken christelijk. In de achttiende eeuw doen de nadrukkelijk antichristelijke werken van zich spreken die in onze tijd in de universitaire canon zijn opgenomen. In de negentiende eeuw christelt de literatuur bij sommige romantici, en in de twintigste eeuw wordt wat “literatuur” heet bewust immoreel. Zo men nog schade zou willen herstellen, onthoude men zich van het academische bijgeloof der genres. Het genie houdt zich niet aan hokjes, zeker niet aan die overgewaardeerde van poëzie en roman. |